Posterwoorden

Posterwoorden

Heldring College - Woordenschatproject (WSP): Posterwoorden

week: 16 t/m 20 april 2018

 

Klas 1

POSTER 20

1. de afkorting = de korte manier om een woord of een groepje woorden op te schrijven

     

2. de betekenis = dat wat iets wil zeggen

     

3. rechtvaardig = eerlijk

     

4. de taak = werk dat je moet doen

    

5. de variatie = de afwisseling

    

6. het vermogen = dat wat je kunt

     

7. vergelijken = bekijken wat de verschillen en overeenkomsten zijn

    

8. waarnemen = iets of iemand met je zintuigen opmerken

     

9. waarderen = begrijpen welke waarde iemand of iets voor je heeft

     

10. d.w.z. = dat wil zeggen

     

      

Klas 2

POSTER 10  

 

1. vermelden = noemen of opschrijven

     

2. afnemen = minder worden

     

3. aanzienlijk = groot en veel

     

4. de afwijking = iets wat niet klopt

     

5. de hinder = de last

     

6. ten koste gaan van = slecht zijn voor

     

7. elders = ergens anders

    

8. diverse = verschillende

     

9. veronderstellen = denken dat het zo is

     

10. o.m. = onder meer (er is meer dan er genoemd wordt)

     

  

Klas 3 (e&o)

POSTER 8

1. de reserve = iets dat niet direct nodig is, maar dat je bewaart om later te kunnen gebruiken

     

2. resteren = overblijven

      

3. retour = terug naar de plaats waar het vandaan komt

     

4. het salaris = het loon

     

5. schadeloos stellen = een vergoeding geven voor het nadeel dat iemand geleden heeft

     

6. schikken = een oplossing vinden doordat iedereen een beetje toegeeft

     

7. de schuld = het geld dat je nog moet betalen; de verantwoordelijkheid voor een fout

     

8. de splitsing = de plaats, waar een weg of rivier uiteen gaat

      

9. stimuleren = zorgen dat iemand iets leuk gaat vinden

     

10. storten = geld overmaken

     

 

Klas 3 (z&w)

POSTER 8

1. vanwaar = waarom, om welke reden

     

2. vermijden = zorgen dat iets niet gebeurt

     

3. het vermogen = iets dat iemand of iets kan

     

4. verschrompelen = klein en droog worden

     

5. zich vertakken = zich splitsen

     

6. verteren = je lichaam haalt de nuttige stoffen uit je eten, de rest verandert in ontlasting

    

7. het vlies = heel dun vel

     

8. voordien = vroeger, eerder

     

9. vrijkomen = beschikbaar komen, los komen

     

10. waarnemen = horen, zien, ruiken of voelen

    

Top