Posterwoorden

Posterwoorden

Heldring College - Woordenschatproject (WSP): Posterwoorden

week: 22 t/m 26 januari 2018

 

Klas 1

POSTER 11

1. de alinea = een gedeelte van een tekst  

2. het motief = de reden waarom je iets doet

     

3. het citaat = de letterlijke herhaling van wat iemand gezegd of geschreven heeft

     

4. oorspronkelijk = vanaf het begin, in het begin

     

5. de instructie = de uitleg hoe je iets moet doen of gebruiken

     

6. bestemd voor = bedoeld voor

     

7. beoordelen = een mening over iets of iemand geven

     

8. toenemen = meer of groter worden

     

9. bovendien = ook nog

     

10. i.p.v. = in plaats van

     

  

      

Klas 2

POSTER 6  

 

1. het concept = het plan op papier; het opgeschreven plan

     

2. samenhangen met = ermee te maken hebben

     

3. ten goede komen aan = goed zijn voor, bestemd zijn voor

     

4. tamelijk = nogal, vrij

    

5. logisch = iets klopt, je snapt het vanzelf

    

6. de voorkeur = wat je het liefste kiest

     

7. variëren = afwisselen, veranderen

     

8. aantasten = iets of iemand kapot maken

     

9. vervangen = iets (iemand) weghalen en iets (iemand) anders daarvoor in de plaats zetten.

    

10. N.B. = Nota Bene (Latijn), let goed op

     

  

Klas 3 (e&o)

POSTER 7

1. de overeenkomst = het contract, de officiële afspraak

     

2. het pand = het gebouw

     

3. de poelier = handelaar in geslacht gevogelte en wild

     

4. pro = vóór

     

5. het proces = de manier waarop iets zich ontwikkelt

     

6. de producent = degene die er voor zorgt dat iets er komt

     

7. produceren = maken

     

8. de productie = het maken van dingen en het resultaat daarvan

     

9. de reclame = een bedrijf of product onder de aandacht van de mensen brengen, d.m.v. tv-spotjes, flyers, advertenties enz.

     

10. de rente = extra geld dat je ontvangt als je een spaarrekening hebt of dat je moet betalen bij een lening

     

 

Klas 3 (z&w)

POSTER 7

1. het stadium = een periode in een ontwikkeling, een fase

     

2. de stronk = het harde deel van sommige groenten

     

3. subjectief = een persoonlijke mening gevend

     

4. suggereren = een voorstel doen

    

5. het symptoom = een verschijnsel waaraan men iets herkent

     

6. het thema = het onderwerp van een boek, film, gesprek enz.

      

7. troebel = niet helder

     

8. uiterst = de laatste mogelijkheid

     

9. uitwendig = iets wat aan de buitenkant zit

     

10. van invloed zijn op = belangrijk zijn voor….

     

 

Top