Posterwoorden

Posterwoorden

Heldring College - Woordenschatproject (WSP): Posterwoorden

week: 27 november t/m 1 december 2017

 

Klas 1

POSTER 8

 

1. emigreren = verhuizen naar een ander land

     

2. noteren = opschrijven

     

3. verrichten = doen

     

4. de relatie = als dingen of mensen met elkaar te maken hebben

     

5. blijken = duidelijk zijn

    

6. zowel .......... als = niet alleen .......... maar ook

     

7. het kenmerk = waaraan je iemand of iets kunt herkennen

     

8. gemeenschappelijk = iets wat je samen hebt

     

9. behalve = .......... niet meegeteld

     

10. tel. = het telefoonnummer

     

      

Klas 2

POSTER 4  

 

1. overtuigen = iemand uitleggen waarom je gelijk hebt, tot hij je gelijk geeft

     

2. het synoniem = een ander woord met bijna dezelfde betekenis

     

3. aan bod komen = aan de beurt komen

     

4. (iets) beleven = (iets) meemaken

    

5. de opvatting = de mening

     

6. bewerken = aan iets werken om het ergens geschikt voor te maken

     

7. maatregelen nemen = iets doen waardoor iets goed gaat

     

8. noch .......... noch .......... = niet .......... en ook niet ...........

     

9. vermijden = ervoor zorgen dat iets niet gebeurt

     

10. m.n. = met name/vooral

     

  

Klas 3 (e&o)

POSTER 4

  1. de fabrikant = de eigenaar van een fabriek

     

  2. defactor = iets dat van belang is (kan zijn) in een proces

     

  3. failliet = zulke hoge schulden hebben dat je ze niet meer kan betalen

     

  4. de formule = de manier waarop iets gedaan of gezegd wordt

     

  5. gepaard gaan met = samen voorkomen

     

  6. gezamenlijk = er is méér dan een persoon betrokken

     

  7. de goederen = de spullen

     

  8. gunnen = willen dat iemand iets prettigs heeft/doet/krijgt enz. omdat dat fijn is voor die persoon

      

  9. de handel = het kopen en verkopen van goederen of diensten

     

10. handelen in = geld verdienen door iets te verkopen

     

 


Klas 3 (z&w)

POSTER 4

1. de hygiëne = het schoonhouden van je lichaam en je omgeving om ziekten te voorkomen

     

2. de immuniteit = je kunt een bepaalde ziekte niet meer krijgen

      

3. de incubatietijd = de tijd tussen het moment dat je besmet raakt en het moment dat je echt ziek wordt

     

4. inkepen (ww) = insnijden

     

5. intern = binnen de organisatie

     

6. inwendig = binnen in het lichaam

     

7. isoleren (ww) = zorgen dat iets of iemand weinig of geen contact heeft met de omgeving

     

8. het kenmerk = een eigenschap waaraan je iets of iemand kunt herkennen

     

9. de kruiden = planten die gebruikt worden als medicijn, of om eten smaak te geven

     

10. het motief = de reden waarom je iets doet; een figuur dat zich herhaalt

     

 

 

Top